Altijd ik! (boekfragment 6)

Als het derde deel van de symfonie begint, met zo’n opgewekt en levendig thema, stopt hij met het mijmeren en filosoferen. Hij staat op uit de comfortabele stoel en loopt naar de keuken. Tjonge, een half uur verder zonder dat hij iets gedaan heeft. Nu is het al half acht geweest en moet hij nog gaan eten. Hij pakt de boodschappen uit de plastic tas, legt de witlof en de kipfilet naast de wasbak op het aanrecht. De sla, de gehaktballetjes en de frisdrank bergt hij op in de koelkast. De andere spullen gaan de keukenkastjes in. Dan maakt hij de witlof schoon en kruidt hij de kipfilet met wat zout en peper. Hij heeft geen zin meer om nog aardappels te schillen, hij eet wel alleen de groenten en de kip.

Als hij vijfentwintig minuten later zijn bord op de kleine salontafel zet, kan hij gelukkig nog net een laatste stuk van het journaal zien. Hij snijdt de kipfilet in kleine stukjes en werkt het vlees samen met de witlof naar binnen. Terwijl hij eet, maakt hij met z’n linkerhand de maandelijkse post van de hifiwinkel open. Er staan enkele leuke luidsprekersets in de aanbieding. Misschien wordt het toch eens tijd om zijn oude luidsprekers in te ruilen. Of ze op Marktplaats te zetten. Wacht, hij had toch net tussen de reclame ook een folder van de lokale concurrent zien liggen! Hij slikt snel de laatste hap witlof weg, zet z’n bord met vork en mes op het aanrecht en loopt de trap af. Daar, onder aan de trap, liggen de reclamefolders van meerdere dagen. Hij pakt de stapel op en neemt hem mee naar boven. Hij gaat met de stapel weer op de bank zitten. Vanuit de televisie schettert de reclame hem in de oren. Hij pakt de afstandbediening en zet het geluid uit. Dan zoekt hij tussen de stapel folders naar die van Symphonica. Een goede hifiwinkel aan de uitvalsweg vanaf de binnenstad. Hij bladert de folder door op zoek naar luidsprekers. Op de op een na laatste bladzijde vindt hij wat hij zoekt. Warempel, dezelfde set in de aanbieding, alleen bijna honderd euro goedkoper! Hm, toch iets om over na te denken. Nou ja, het hoeft niet meteen. Als hij andere boxen koopt, dan zal hij ook wel een andere versterker nodig hebben, en een andere cd-speler natuurlijk. Dan loopt het toch weer flink in de papieren! Nou, hij zal er toch eens over gaan nadenken. Hij schuift de folders weer bij elkaar. Dan valt zijn oog ineens op een envelop, zonder naam of adres erop, met een fel gele kleur. Hij maakt de envelop open en haalt er een vrijwel leeg wit vel papier uit. Ongeveer in het midden van het vel staat met niet al te grote letters: “Wie bent u eigenlijk?” en daaronder: “Ik wil graag eens met u praten.” Geen afzender, geen telefoonnummer, geen adres. Het lijkt of het direct aan hem gericht is, want het vel papier lijkt op een printje of kopie. Bijzonder. Hij beseft dat zo’n reclamestunt goed bedacht is, want het intrigeert hem. Van wat voor bedrijf of winkel zou dit afkomstig zijn? Welke cursusboer zou hier achter zitten? Of misschien wel een of ander kerkgenootschap of een filosofische beweging…

Dan pakt hij alles bij elkaar en doet de folders in de plastic tas die nog op het aanrecht lag. Hij zet de tas bij de trap. Die zal hij morgenochtend wel mee naar beneden nemen. Hij zet thee, wast af en ploft even later weer op de bank. Zo. Hij zet het geluid van de televisie weer aan en blijkt net op tijd om een aflevering van een Amerikaanse detectiveserie te kunnen zien.

WEEK 3, DINSDAG 16u35

“Arie, we zijn nu halverwege onze tijd voor vandaag, en ik heb je nog maar nauwelijks iets horen zeggen, dat je tijdens de vorige keer nog niet gezegd hebt. Heb je eigenlijk kunnen nadenken over mijn vraag van de vorige week?” Claudette kijkt hem weer op haar eigen vorsende wijze aan. Hij moet haar nu wel weer antwoorden. Hoe kan hij haar zeggen dat hij de hele week met die vraag geworsteld heeft zonder er een antwoord op te kunnen geven? Wat zal ze dan van hem vinden? Zal ze dan niet denken: Jezus, wat een loser is die Arie! Die weet met zijn zevenenveertig jaar nog steeds niet hoe hij zelf in elkaar steekt! De stumper! Maar ja, wat kan hij er aan doen? Hij weet het gewoon niet, hij heeft zichzelf niet gemaakt! Even tijd winnen:

“Je bedoelt de vraag over die belemmeringen?”

“Ja, precies. Ik hoor je nu herhalen wat je vorige week zei, namelijk dat het werk je niet goed bevalt, dat het alleen zijn niet goed bevalt, dat het je niet bevalt dat je jouw dochters zo weinig ziet. Je somt de dingen op in dezelfde volgorde als vorige week. Mijn vraag aan jou is: wat belemmert jou dan om bijvoorbeeld contact te zoeken met je dochters?”

“Tja, dat weet ik eigenlijk niet.”

“Ja, en…?”

“Nou, ik denk dat ze het nu wel goed hebben bij hun moeder. En haar vriend. Hij is best aardig, lijkt me.” Hij is even stil. Claudette kijkt hem hoopvol aan, nee, eigenlijk meer bemoedigend. In haar ogen ziet hij wat ze hem zeggen wil: “Toe maar, vertel maar, gooi het er uit!” Maar hij weet niet wat hij vertellen moet, wat hij er uit moet gooien. “Eh, ik weet het niet precies. Ik denk, dat de meiden mij niet meer zo nodig hebben.” Weer houdt hij zijn mond dicht. Claudette zegt ook niets. Ze kijkt hem alleen maar aan. “Ja, waarom zouden ze ook naar mij toe komen? Overdag ben ik er toch niet. En ’s avonds hebben ze hun sportclubs, streetdance. En natuurlijk willen ze liever bij hun vrienden zijn dan bij mij. Dat lijkt me logisch voor meiden op die leeftijd. Je moet ook niet vergeten dat ik niet hun biologische vader ben. Ik heb hen wel helpen opvoeden, maar we hebben geen gemeenschappelijke eigenschappen.”

“Hoor je wel wat je eigenlijk zegt?” Claudette kijkt hem met een ongekend felle blik aan. Nog eens zegt ze, maar nu spreekt ze de woorden zachter en trager uit: “Hoor je wel wat je eigenlijk zegt?”

“Eh?”

“Arie, ik hoor jou zeggen: mijn dochters hebben niets aan mij. Hebben niets vàn mij. Ik ben niet belangrijk.”

Claudette kijkt hem met gefronste wenkbrauwen aan. Ze knijpt haar ogen toe tot spleetjes. Ze spreekt zacht, articuleert elk woord nadrukkelijk als ze zich naar hem toebuigt en zegt: “Is dat wat jij van jezelf vindt? Is dit hoe jij naar jezelf kijkt: ik ben niet belangrijk?”

Hij moet toegeven, ze heeft hem ineens aan het denken gezet. Toen ze hem vroeg of hij wel hoorde wat hij zelf zei, schrok hij van haar. En nu geeft ze hem een verklaring voor zijn eigen gedrag. Zijn gedachten gaan nu razendsnel. Ze zou best wel eens een punt kunnen hebben. Hij vindt zichzelf niet zo belangrijk. In zijn vaderrol is hij hopeloos tekort geschoten. Hij is jarenlang de man geweest ‘die op zondag het vlees snijdt’. En toen hij, mede door de nogal confronterende televisieboodschap er iets aan wilde veranderen, merkte hij dat zijn vrouw het eigenlijk zo wel best vond. Ze had geen behoefte meer aan een groter aandeel van hem in de opvoeding. “Oh, ga jij nu ineens opvoeden? Nu Silvia naar het voortgezet onderwijs gaat, wordt het menens en kom jij in beeld? Wat denk je wel? Al die jaren heb ik er alleen voor gestaan. Waar was jij al die tijd? Aan het werk toch? Die verdomde gemeente is belangrijker dan je eigen gezin!” Zijn vrouw had hem minachtend aangekeken, haar hoofd wat gedraaid en haar kin iets omhoog. En met een spottend lachje had ze zich van hem afgewend. En hij had niets gezegd. Hij wist dat ze gelijk had. Hij kon niets inbrengen tegen haar redenering. En toen hij twee maanden later vertelde dat hij gesolliciteerd had en weg wilde bij ‘die verdomde gemeente’, had ze haar schouders opgehaald en gemompeld: “Je doet maar!”. Daarna was ze weggegaan naar de buurvrouw. Pas ’s avonds laat, toen Silvia en Daniela al lang sliepen en hij in de slaapkamer naar de avondtalkshow keek, had hij beneden de deur horen opengaan. Snel had hij de televisie uitgezet, het licht uitgedaan en had zich op zijn zij gedraaid. Halverwege de nacht had hij wel gehoord hoe zij in bed kroop, maar hij was in een veel te diepe slaap geweest om te reageren. Toen hij de volgende ochtend wakker werd, had hij haar, terwijl hij op zijn elleboog steunde, van opzij aangekeken. Hij voelde geen warmte meer van haar naar hem. En bij zichzelf voelde hij niets. Het enige wat hij toen beseft had, was dat zijn huwelijk nu voorbij was. Hij had haar niet wakker gemaakt, had haar niet gedag gezegd, geen zoen gegeven. Die dag had hij op kantoor zich niet op zijn werk kunnen concentreren. Steeds waren zijn gedachten bij haar geweest. Wat kon hij nog doen? Hij moest er met haar over praten, toegeven dat hij het had laten zitten. Hij had moeten zeggen dat hij het nu echt anders wilde. Maar toen hij ’s avonds thuis kwam, had hij het niet gedurfd. Hij had haar gekust, in haar nek, maar ze had niet gereageerd. Die avond was hij niet naar zijn werkkamer gegaan. In plaats daarvan had hij plaats genomen op de bank. Hij had gekeken wat zij gekeken had. En toen hij om negen uur ’s avonds gevraagd had of de meisjes al naar bed waren, had ze hem vinnig geantwoord: “Zo zie je maar hoe betrokken jij bent bij de meiden. Die hebben elke woensdagavond streetdance. Om half tien zijn ze thuis, dan geef ik ze wat te drinken en daarna gaan ze douchen en slapen. Iedere woensdag! Of wil jij straks iets te drinken voor ze maken? Dat mag best hoor!” Ze had hem weer minachtend aangekeken. Langzaam had hij zijn hoofd geschud. “Nee, doe jij maar als altijd.” Verder had hij niets gezegd. Toen hij de schuurdeur hoorde opengaan en de meiden giebelend hoorde aankomen, was hij snel naar boven gelopen, naar zijn werkkamer. Zie je wel, toen was hij al een loser!

“Arie, dus je vindt jezelf niet belangrijk? Ik zie je denken, maar je vertelt me niet wat er in je omgaat. Je staart wat voor je uit, maar wil je mij ook vertellen waar je aan denkt?”

Hij kijkt op. Hij was zeker in gedachten verzonken geweest. Maar hij herstelt zich snel. Ineens is het hem duidelijk. Wat doet hij hier eigenlijk? Hij voelt zich ineens boos worden. Hoe komt ze er nu bij dat hij zichzelf niet van belang vindt? Waar haalt ze die wijsheid vandaan? Heeft ze daarvoor gestudeerd of zo?

“Weet je, Claudette, deze coaching is niks voor mij! Jij stelt me steeds vragen waarop ik geen antwoord weet. De hele week heb ik nagedacht over die zogenaamde belemmeringen. Nou, ik kan je vertellen: ik weet het niet! Ik weet het echt niet!” Hij hoort zichzelf steeds harder praten. Hij durft haar niet aan te kijken, hij kijkt naar het schilderij aan de muur waar hij dit keer weer tegenover zit. “Ik weet niet of ik dit kan, ik weet niet of ik dit wil. We zitten hier een uur te praten, maar wat schiet ik er mee op?  Straks ga ik weg en dan geef jij mij weer huiswerk mee.” Als hij het woord huiswerk uitspreekt, maakt hij met de wijs- en middelvinger van beide handen zogenaamde aanhalingstekens in de lucht. “Dan krijg ik weer een vraag waarover ik vast na moet denken. Maar ik pijnig mijn hersens de hele week. Tijdens het boodschappen doen, tijdens het eten koken, als ik op bed lig, Als ik werk dwalen mijn gedachten steeds af naar jouw vraag: “Maar Arie, wat belemmert jou dan om te zijn wie je wilt zijn?”” Terwijl hij dit zegt, imiteert hij haar stem en intonatie. “Nou, Claudette, ik weet het niet!”

Hij heeft het warm, zijn hoofd moet nu rood van opwinding zijn. Zijn handen voelen klam aan. Hij staart naar een plek op het schilderij op de muur tegenover hem. Hij durft haar nu niet aan te kijken. Hij schaamt zich voor zijn uitval, hij had zich beter moeten beheersen. Wat is er toch met hem aan de hand? Die coaching lijkt van alles los te maken, maar het wordt er voor hem niet overzichtelijker van. Al die vragen, wat schiet hij er mee op als hij toch geen antwoorden weet of krijgt? Hij wil hier weg. Het liefst zou hij haar nu vertellen wat hij op de gang, bij zijn werk, geroepen heeft vorige week. Maar hij blijft naar de gele vlekken van het schilderij staren. Dan schuift hij de stoel rustig naar achteren. Hij staat op.

“Ik moet nu weg.”

Hij kijkt Claudette schuin aan. Ze lijkt totaal onbewogen, ondanks zijn retirade. Hij ziet hoe ze hem aankijkt, maar hij wendt zijn hoofd af. Hoe kan hij haar nu aankijken?

“Wacht even, Arie, ik denk dat we nu op de goede weg zijn!”

“Nee, eh, niet dus. Ik moet weg!” Hij pakt zijn jas van de kapstokhaak en zet twee grote passen naar de deur. Hij doet de deur open. Dan, alsof hij spijt heeft, draait hij zich in de deuropening om: “Ik bel je wel van de week…”

Als hij met haastige passen naar de hal loopt, hoort hij nog juist de receptioniste, Yvonne, hem toeroepen: “Pas op het afstapje!”

About hans van gelderen

organisatieadviseur, trainer, eigenaar Vigorgroep (www.vigorgroep.nl)
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s