Altijd ik! (boekfragment 5)

WEEK 2, DINSDAG, 18u43

Hoe zei ze dat nu ook al weer? “Wat belemmert jou om te zijn wie je wilt zijn?”
Tja, wat belemmert hem? Wat belemmert hem om te zijn wie hij wil zijn? Belemmeringen, tja… Terwijl hij zijn Albert Heijn – muntje in het daarvoor bestemde gleufje duwt van het winkelwagentje en de metalen ketting losmaakt van het karretje dat voor het zijne nog vastgedrukt staat in een rij, probeert hij die gedachte los te laten en zich te concentreren op de boodschappen voor het avondeten. Wat zal hij vanavond eten? Hij heeft eigenlijk niet veel zin meer om uitgebreid voor zichzelf te gaan staan koken, maar ooit heeft hij zichzelf plechtig beloofd doordeweeks altijd zelf iets te eten te maken. Geen kant-en-klaar maaltijden, alleen echt eten. Maar wat dan, vandaag?

Hij duwt het karretje door een gangpad waar links en rechts zoutjes, snacks en koekjes, snoep en chocolade staan. Bijna achteloos pakt hij een rol San Francisco biscuit, een zak droptoffees, van die ribbelchips, naturel natuurlijk, en pepsels. Als hij aan het einde van het gangpad linksaf draait en de groenteafdeling nadert, heeft hij nog steeds geen idee wat hij die avond wil eten. De witlof is in de aanbieding, net als de gemengde sla. Hij loopt naar het krat met de witlof en zoekt naar kleine, slanke stronken. Hij laat er vijf in het plastic zakje glijden dat hij van de rol heeft weten los te trekken. Oké, witlof dus. Aardappels? Heeft-ie nog genoeg thuis. Misschien toch vast sla meenemen, dan hoeft hij morgen niet opnieuw de winkel in. Hij bekijkt de zakjes sla en snapt meteen waarom ze in de aanbieding zijn. Nog één dag voor de uiterste verkoopdatum… nee, daar ziet hij toch vanaf! Maar wel een goed idee om sla mee te nemen. In de schappen rechts van hem ligt het vol met verschillende soorten. Hij pakt de gemengde krulsla, gooit het zakje in de kar en draait het wagentje naar de vleesafdeling. Direct pakt hij een bakje met twee kipfilets. Genoeg voor twee dagen. Die filets kan hij vandaag braden en er dan ook morgen nog van eten. En passant pakt hij nog een bakje met Zweedse gehaktballetjes van de plank en legt deze bovenop de kipfilets. Oh, nog wat te drinken! Als hij even later bij de kassa in de rij staat, kijkt hij met een zekere voldoening naar de etenswaren in de winkelwagen. Hij heeft voor twee dagen in kunnen slaan, dat betekent dat hij morgen in ieder geval niet opnieuw een supermarkt in hoeft.

Als hij door de automatische schuifdeuren de supermarkt verlaat en met het plastic tasje met boodschappen buiten op het plein staat, begint het net te regenen. Een zomerse bui, zo eentje waarnaar je eigenlijk de hele dag al verlangd hebt. De regen plenst neer en in een mum van tijd staan er plassen in de oneffenheden van het straatwerk. Hij loopt een paar passen achteruit, zodat hij weer in de deuropening staat. Het regenwater spat vanaf de straatstenen op tegen zijn broekspijpen en hij voelt hoe een paar druppels water zich tussen zijn sokken en schoenen wringen. Hij hoort het mechanisme van de schuifdeuren tikken. Zo te horen staat hij precies voor het oog van de laser die het open en dichtgaan van de schuifdeuren regelt. ‘Tik’. Even niets. Dan weer ‘tik’. Of ‘klik’. Hoe moet je dat geluid noemen? Hij weet het niet. Alsof het belangrijk is om te weten hoe je het geluid van een automatische deuropener noemt. Een tik of een klik. Hij kijkt omhoog en ziet al weer flinke stukken blauwe lucht. Nog even en het zal al weer droog zijn. Hij kan best alvast gaan lopen, het regent niet echt hard meer. Maar hij kan natuurlijk ook gewoon nog een minuut hier in de deuropening van de supermarkt blijven staan. ‘Klik’. Of is het toch meer ‘tik’? Dan beent hij ineens met grote passen het plein over. Hij probeert zoveel mogelijk de plassen te ontwijken, maar wil tegelijkertijd ook een rechte lijn aanhouden om de oversteek zo snel mogelijk te maken. Het lukt niet. Na amper vijftien meter belandt hij met zijn linkerschoen in een flinke plas. Regenwater loopt snel zijn schoen binnen en doorweekt zijn sok. Hij kijkt naar zijn linkervoet en ziet hoe het water tijdens het lopen uit zijn schoen gepompt wordt. Hij loopt door. De laatste druppels vallen. Zijn overhemd is vochtig geworden, maar niet echt nat. Het valt allemaal mee. Als hij straks thuis is, zal hij wel eerst even een droog t-shirt aantrekken! Bijna aan de overkant van het plein ziet hij hoe een van de regenpijpen van een historisch pand het water dat van de schuine kap stroomt niet kan verwerken. Het water bruist over de randen van de dakgoot en spuit door de naden van de regenpijp. Kennelijk een verstopping. Hij loopt er met een boogje omheen. Als hij het pand waar hij een ruime bovenverdieping huurt tot op een meter of tien is genaderd, voelt hij met zijn rechterhand in zijn broekzak. Hij diept zijn huissleutel op en loopt naar de deur. Hij steekt de sleutel in het slot, draait ‘m naar links en duwt de zware, hardhouten deur naar binnen open. Op de mat ligt post en wat reclame. Terwijl hij met zijn linkerhand nog steeds de plastic tas met boodschappen draagt, bukt hij zich om met de andere hand de post op te rapen. Een envelop van de bank, waarschijnlijk een rekeningoverzicht, de FMM en de maandelijkse post van de hifiwinkel in de stad. De reclameblaadjes schuift hij met zijn rechtervoet naar de rechterkant van de kleine hal. Bij die van gisteren. Met dezelfde voet geeft hij de deur nu een trap zodat deze dichtslaat in het slot. Dan duwt hij met zijn kin tegen de lichtschakelaar waardoor er bovenaan de trap waar hij voor staat een lamp gaat branden. Dan loopt hij naar boven, waar hij de tas met boodschappen op de grond van de overloop zet. De post legt hij op het kleine, bruine tafeltje dat tegen de muur staat, rechts naast de deur. Nu hij beide handen weer vrij heeft, doet hij de deur open die naar de kamer leidt en pakt de boodschappentas op. Hij loopt naar een afgescheiden hoek aan de achterkant van het appartement waar de keuken is. Hij zet de boodschappentas op het aanrecht, schuin tegen de achterwand zodat deze niet omvalt. Dan loopt hij naar de voorkant waar de zon nu weer onbarmhartig fel naar binnen schijnt. Hij trekt aan het koord van de zonwering en met een hoop geritsel van de lamellen, komt de luxaflex naar beneden. Hij draait de lamellen bijna helemaal dicht. Dan herhaalt hij dit bij het andere raam aan de voorkant. Zo, dat scheelt! Nu een muziekje. Hij loopt naar een grote open kast, waar in de middelste van de vijf metersbrede schappen zijn oude Denon – versterker staat, zijn trots van vijftien jaar geleden. Samen met de Hepta’s ooit voor veel geld aangeschaft, nooit afstand van kunnen doen ook al zeggen vrienden dat hij al lang toe is aan iets nieuws en moderns. Hij schakelt de versterker in, drukt op een schakelaar van de cd-speler en drukt op ‘play’. Slechts enkele seconden later klinken de eerste klanken van Dvorak’s Symphony nr. 9 door het appartement. ‘From the New World’ weet hij. De eerste maten van het Adagio lijken rust te brengen en nodigen uit de versterker harder te zetten. Maar binnen de minuut wordt die rust verbroken door de spanningsvolle inzet van het ‘Wiener Philharmoniker’. Het orkest knalt de luidsprekers uit om dan direct weer in te binden. Hij is ondertussen gaan zitten in de fauteuil die hem èn een goed geluid èn een goed uitzicht op de winkelstraat garandeert. Met de ogen dicht laat hij zich even meevoeren door de muziek. Hij ziet zichzelf even als een kolonist die de uitgestrekte vlaktes van Noord-Amerika tegemoet treedt. Zou hij in staat zijn om als een pionier onbekende oorden te verkennen? En hoe zou hij dan reizen, alleen of met vrienden of een groep? En hoewel het hem enerzijds aantrekkelijk lijkt om helemaal alleen er op uit te gaan, weet hij van zichzelf ook drommels goed dat hij een dergelijk avontuur niet graag alleen zou aangaan. Liever zou hij met het beschermende gezelschap van een of twee goede vrienden op reis gaan. Dan ineens spookt de vraag van Claudette weer in zijn hoofd. “Wat belemmert je om te zijn wie je wilt zijn?” had ze hem gevraagd. Heel nadrukkelijk had ze hem daarbij aangekeken, alsof ze probeerde via zijn ogen zijn gedachten binnen te dringen. “Wat belemmert je?”

De laatste, bijna bombastische klanken van het Allegro Molto nopen hem de muziek zachter te zetten. Zo kan hij niet nadenken! Maar als even later het subtiele thema van het Largo klinken, krijgt hij de neiging de ogen opnieuw te sluiten en weg te doezelen. Tja, wat belemmert hem? Wat zijn belemmeringen eigenlijk. Iets, of iemand, wat hem verhindert iets te bereiken? Iets wat jou verhindert een bepaald doel te bereiken. Wat is zijn doel dan? Had Claudette in het eerste gesprek al niet gesproken over ‘worden wie je bent’? En nu dan het ‘zijn wie je wilt zijn’… Wie is hij dan eigenlijk en wie wil hij zijn? Van zichzelf weet hij dat hij altijd moeite heeft met de platvloerse vragen “Hoe gaat het met je?” en “Hoe is het, alles goed?” Dat zijn toch vragen waarop niemand een echt antwoord geeft? Als Claudette het hem nu zou vragen, zou hij dan zeggen: het gaat fucking klote? Zoals hij het gisteren geschreeuwd had door de gang op kantoor, dat was zijn gevoel geweest van dat moment. Zou hij dat nu ook zeggen tegen zijn coach? Wie is hij eigenlijk nu, op dit moment? En als je weet wie je nu bent, weet je dan ook wie je morgen bent? Ben je alle dagen dan een andere persoon? En wie wil hij eigenlijk zijn, wie zijn de personen tegen wie hij opkijkt?

About hans van gelderen

organisatieadviseur, trainer, eigenaar Vigorgroep (www.vigorgroep.nl)
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s