Altijd ik! (boekfragment 3)

Hoewel de buitenlucht klam aanvoelt, doet het hem toch goed. Hij houdt zijn jas met zijn rechterhand vast, drapeert hem dan omstandig over zijn linkerarm, kijkt nog eens links en rechts om zich heen. Een onbestemde opluchting maakt zich van hem meester. Goh, was dit nu alles? Was hij hiervoor nu nerveus geweest? Het was een aardige vrouw, vriendelijk. Hoeveel aardige vrouwen had hij de laatste tijd überhaupt ontmoet? Niet veel…

Opnieuw steekt hij de Markt over, nu in tegengestelde richting. Het is nog vroeg, hij kan wel even ergens koffie gaan drinken, een terras hier in de buurt. Al lopend denkt hij even na. Misschien dat nieuwe café, vlak bij de kerk. Die terrasstoelen zagen er gisteren, toen hij er langs liep, in ieder geval comfortabel uit. Blij met een doel, steekt hij de straat over. Bij de sigarenboer op de hoek koopt hij de regionale krant. Misschien oud nieuws, maar vast en zeker ook nog iets over de stad, iets wat interessant genoeg is voor een binnenstadbewoner als hij zelf is. Als hij afrekent, vouwt hij de krant dubbel en klemt hem met zijn arm tegen zijn bovenlijf zodat hij het wisselgeld in zijn portemonnee kan stoppen. De krant neemt hij weer in zijn handen en vouwt hem open. Dan zet hij koers naar het café, terwijl hij de voorpagina bekijkt. Niet iets wat hij nog niet gelezen had op internet of teletekst vanochtend. Juist als hij het terras nadert hoort hij zijn naam roepen: “Hé, Arie!”

Gek genoeg schrikt hij er van dat zijn naam hier ineens zo luid klinkt. Hij draait zijn hoofd direct in de richting vanwaar hij zijn naam hoorde roepen. Maar het zonlicht, dat weerkaatst in de grote ramen van het pand op de hoek van de straat, verblindt hem en hij ziet niet veel anders dan wat silhouetten van mensen, stoelen en parasols. Hij brengt zijn linkerhand boven zijn ogen, waardoor hij nu beter de verschillende terrasbezoekers kan ontwaren.

“Hé, blinde!” Hij herkent nu de stem en twee seconden later ziet hij de oud-collega die hem toegrijnst vanaf een van de terrasstoelen. Hij loopt aarzelend in zijn richting en ziet nu ook de dame naast Chris, zijn oud-collega bij de gemeente. Chris staat op en steekt hem met een joviale lach op zijn gezicht een hand toe. “Kerel, lang geleden dat ik je gezien heb! Kom er even bij zitten. Trouwens, dit is Nadia, een collega van P&O.” Arie geeft haar een hand. “Arie, zoals je hoort een oud-collega van Chris…”. Hij kijkt haar aan en probeert haar snel op te nemen. Mooie vrouw, lang donkerbruin golvend haar, donkere wenkbrauwen, volle mond. Dan is er de stem van Chris, die hem dwingt zijn blik af te wenden: “Hé makker, kom nou zitten en neem een biertje.” Terwijl hij dit zegt wenkt hij al naar een van de meisjes die bedienen. “Zeg schat, mag ik van jou nog twee biertjes en een witte wijn?” En zich naar Arie draaiend schuift hij de stoel naast hem wat van het tafeltje af en klopt met zijn hand twee keer op de leuning: “Kom op, zit! Even bijkletsen, man. Jezus, dat is lang geleden, hoe lang ben je nu weg bij de gemeente? Jaar of zeven?” Omzichtig haalt Arie nu zijn jas van zijn linkerarm en drapeert hem over de rugleuning van de stoel die Chris naar hem toegedraaid heeft. Dan merkt hij hoe onhandig dat gaat met de krant nog steeds in zijn rechterhand geklemd. Hij legt de krant op de tafel en schikt dan de jas nog wat beter. Uiteindelijk gaat hij zitten op de stoel. Hij ziet hoe Nadia hem opneemt. Enigszins verlegen wendt hij zijn hoofd naar Chris. “Tja, ik denk inderdaad zo’n zeven jaar, Chris. Zeven jaar en zeven maanden, om wat preciezer te zijn. Weet je nog, dat was kort nadat die trut van Irene afdelingshoofd werd. God, man, ik ben echt blij dat ik daar weg ben!” Zijn woorden blijven even hangen en hij voelt bij zichzelf de drang om de korte stilte ook meteen te verbreken. “Jij zit daar dus nog?” Terwijl hij dit zegt, kijkt hij schuin naar Nadia, die op dat moment net een hand door haar golvende haar haalt. Dan kijkt hij Chris weer aan. Diens gezicht heeft wat vermoeide trekken, ziet hij nu. “Tja, ik kom daar niet meer weg, denk ik. Er zijn weinig andere functies beschikbaar waarin ik mijn ei kwijt kan. En ach, de afgelopen jaren heb ik geleerd me gedeisd te houden en die Irene zoveel mogelijk uit de weg te blijven. Als ze me niet hoort, ziet ze mij ook niet en dan heb ik ook geen last van haar. Maar,” en hij laat terwijl hij dat zegt zijn ogen rollen, “we hebben ook nog steeds dezelfde directeur. En van hem had ik verwacht dat hij wel wat anders was gaan doen dan ons lastig te vallen met zijn controle – tik! Nee, Arie, wees blij dat je weg bent. Er valt weinig te genieten en jij hebt het goed bekeken door op tijd weg te gaan! Ik geef het toe: ik ben weinig productief meer, ga met gepaste tegenzin naar mijn werk iedere ochtend en probeer elke werkdag het einde zonder kleerscheuren te halen en weer op tijd weg te zijn.”

“Hop, naar moeder de vrouw?”

“Nee, jongen, moeders woont daar niet meer. Die heb ik uitgekocht, haha! Ik kon er niet meer tegen. Van alles geprobeerd, relatietherapie nog zelfs, maar daar heb ik op een gegeven moment gewoon een punt achter gezet en gezegd: ik wil dit niet meer! Nou, toen hebben we wel even een klote periode gehad, maar nu is alles relaxed. Helemaal ‘flex’ zou mijn zoon zeggen. Die woont overigens al twee jaar op zichzelf, kleine appartement hier in de binnenstad. Hij zit er alleen nooit, is bijna altijd bij zijn vriendin. Maar, jongen, ik zit maar te lullen en jij zit mij maar aan te gapen. Hoe gaat het nu met jou?”

Dit is de vraag waarop hij altijd het moeilijkst antwoord kan geven. Hij weet wat er verwacht wordt. Je moet gewoon zeggen: het gaat goed, prima, beetje druk! Maar als hij eerlijk is, dan weet hij eigenlijk helemaal niet goed hoe het met hem gaat.

Als hij die avond tijdens het tandenpoetsen zichzelf aankijkt in de spiegel, vraagt hij zich af hoe een ander hem zou zien. Stel dat ik mezelf niet ken, wat zie ik hier dan voor iemand staan? Met de tandenborstel maakt hij nog een paar verticale poetsbewegingen, maar dan houdt hij stil en kijkt wat intensiever naar zichzelf. Hij kijkt naar zijn gezicht: hij heeft best flinke wallen onder zijn ogen. Hij ziet de rimpeltjes in beide ooghoeken die, nu hij in de zomer wat bruiner is geworden, licht aftekenen. Zijn blauwe ogen, het grijs-geel-wit van het hoornvlies. Hij vindt het wat vaal van kleur, wat flets. Op zijn kin ziet hij een kleine oneffenheid, de restanten van een puistje. Hij heeft er al een week steeds aan zitten krabben. Hij krijgt altijd puistjes als hij chocolade eet. Hij moet zich morgenochtend trouwens eens goed scheren, niet alleen met een paar haastige halen wat baardhaar proberen weg te krijgen. Hij ziet het rode randje van zijn linker oor, een beetje verbrand. Gek genoeg verbrandt dat kleine stukje oor ieder jaar. Hij ziet dat zijn linkeroor wat verder van zijn hoofd afstaat dan het rechter. Zijn haar, weliswaar modern geknipt door Ilona, de kapster, maar het wordt wel steeds minder. Je ziet de hoofdhuid er goed doorheen, helemaal hier onder het licht van de lamp boven hem. Maar eigenlijk is dat wat hij ziet vooral een vermoeid ogende man. Een man met weinig expressie in het gezicht, vlak is het woord dat hem te binnen schiet. Een vlakke gezichtsuitdrukking. Een gek gezegde, een vlakke gezichtsuitdrukking… je gezicht is toch juist niet vlak? Je gezicht heeft juist uitstekende delen: de neus, de kin, de oren. De dieper liggende ogen, de wat hollere plekken boven zijn kaken.

Wat zou die Nadia gezien hebben? Haar had hij het moeten kunnen vragen. Hij had gezien hoe ze hem had geobserveerd toen ze deze middag op het terras zaten. En hoe zou Chris hem beschrijven? Hij had Chris toch ook al jaren niet gezien. Chris was duidelijk ouder geworden in zijn gezicht, had er naar zijn idee nogal zorgelijk uitgezien. Chris leek iemand die altijd opgewekt en joviaal deed, maar hij vermoedde eerder een man die wat depressieve trekjes had en die trekjes vooral verborgen wilde houden voor anderen.

Tja, en dan die vraag van Chris: hoe gaat het eigenlijk met jou? Hij had er nauwelijks antwoord op gegeven. Hij had het onderwerp snel weten te verplaatsen naar zijn huidige werkgever en hoeveel beter het was om daar te werken dan bij de gemeente. Zelf wist hij dat er niet zoveel verschil was als hij anderen wilde doen geloven. Het werk was wel anders, maar hij was nog steeds dezelfde man. Ouder. En een man die geen antwoord kon geven op de vraag: Hoe gaat het nu met jou? Met het accent op ‘jou’. Wie is ‘jou’?

About hans van gelderen

organisatieadviseur, trainer, eigenaar Vigorgroep (www.vigorgroep.nl)
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s